Mississippi


Katoenvelden ... Labeur ... BLUES!

Ze geven hier teveel van katoen, ik wil naar Chicago - Memphis - Louisiana - Texas
Ik heb heimwee, ik wil naar huis

 


Katoenplukken, rugpijn, blues,
de vroegere zwarte "Mississippianen" wisten er alles van...

Mississippi is een zuidelijke staat in de USA, grenzend aan de golf van Mexico. Het warme klimaat en rijke bodem zijn uiterst geschikt voor de katoenteelt. Telen was een zaak, plukken een andere. Het labeur werd vroeger door slaven verricht, zwarte slaven. Officiëel kwam daar een einde aan na de burgeroorlog, in 1865. Maar u weet hoe dat gaat, slechte gewoontes afleren gebeurt niet van vandaag op morgen. Stellen dat de zwarte arbeiders in de eerste helft van de 20ste eeuw een goed leventje hadden is dus wat overdreven, om het zacht uit te drukken. Om het leed wat te verzachten werd er "muziek" gemaakt: folk, spirituals, work songs, field hollers, street cries, dance songs, lullabies en love songs. De field hollers (vrije vertaling: veldschreeuwers) communiceerden en entertainden elkaar tijdens de noeste arbeid. In die dagen groeide de populariteit van de gitaar. Tel daarbij de invloeden van de Afro-Amerikaanse kerkliederen (gospel) en u krijgt al een aardig beeld. De gitaar was een makkelijk instrument om mee te zeulen en je kon er jezelf mee begeleiden mits ritmisch en hard genoeg te tokkelen zodat de anderen je konden horen. Een PA kwam er toen nog niet aan te pas...

De plantage van ene Will Dockery vormde een broeinest van muzikale activiteiten. Charlie Patton en Tommy Johnson speelden er, o.m. beluisterd door een jonge snaak die Chester Arthur Bennett heette. Later werd hij Howlin' Wolf...


Van links naar rechts: Charlie Patton, de Dockery Farms en Tommy Johnson

Een van de typische klanken van die vroege blues werd veroorzaakt door een of ander metalen voorwerp (zoals een mes) of een fles op en neer te schuiven over de snaren. Of de "slide" nu daar ontstond of niet (sommigen beweren dat dit al eerder gedaan werd in Hawai), dat maakt weinig uit. Het is een feit dat de bottleneck techniek er veel gebruikt werd in de jaren twintig. Charlie Patton was de eerste om plaatopnames te maken. Tommy Johnson, Son House en Bukka White traden in zijn voetsporen. Bukka nam niet zoveel op omdat hij tot 1940 een gevangenisstraf moest uitzitten in de beruchte Parchman Farm. Nadien was de opname techniek flink gebeterd, vandaar dat zijn blues al wat makkelijker te verteren valt dan die van zijn tijdsgenoten. Een van de origineelste Delta blues zangers was Skip James. Met zijn hoge falsetto stem zong hij over de duivel, alcohol en de dood. De Mississippi Sheiks pakten het wat opgewekter aan terwijl Mississippi John Hurt meer in de richting van ragtime en folk musiceerde. Hij maakte zijn betere opnames pas na 1960 toen hij "herontdekt" werd en nog in goede vorm verkeerde. Helemaal aan de "Dark Side of the Road" was Robert Johnson. Hij nam maar 29 nummers op maar werd niettemin een cultfiguur. In zijn korte muzikale leven groeide zijn talent zo snel dat iemand concludeerde dat hij in ruil zijn ziel aan de duivel verkocht had. Robert ontkende niks en schreef zelfs een nummer erover in bedekte termen, Crossroads Blues. Hij stierf in 1938 op 27-jarige leeftijd. Het verhaal wil door een vergiftiging, who knows... Zijn "Complete Recordings" hoort toch in uw verzameling.


Van links naar rechts: Son House, Mississippi John Hurt & Skip James, Robert Johnson

Vandaag zijn al die prewar Mississippi opnames makkelijk verkrijgbaar, u moet er niet zoveel moeite voor doen. In de jaren 40 en 50 was dat wel even anders. Na de dood van Robert Johnson hielden de platenmaatschappijen het daar in Mississippi wat voor bekeken. De Delta bluesmannen moesten het hebben van een beperkt clubje geitenwollensokken verzamelaars. In de vroege sixties was er een soort folkrevival en de ouwe rotten werden terug opgesnord. Tot verbazing bleken velen onder hen nog steeds actief, zij het dan in familie- en vriendenkring. Sommigen waren wel verhuisd naar andere oorden. Son House woonde in New York, Bukka White zat in Memphis. En hier en daar werd er zelfs eentje gevonden die nog nooit had opgenomen, zoals Mississippi Fred McDowell. Anderen als Dr. Isaiah Ross profiteerden mee van die vernieuwde aandacht. Ross had wat opnames gemaakt voor Sun en Chess en focuste nu op dat publiek dat minder commercieel georienteerd was met zijn one-man show. Hij slaagde erin om helemaal in zijn eentje een full band sound te produceren met een gitaar, harmonica, drum en cymbalen.

Electriciteit

In de vroege jaren veertig werd de Mississippi Delta blues een beetje als folk beschouwd. De Library of Congress en de Fisk University verenigden zich in een nieuw project om ouwe bluesknakkers op te snorren. Een team onder leiding van folklorist Alan Lomax ging op zoek naar Robert Johnson, niet wetende dat die zijn afspraak met de duivel al was nagekomen. Elmore James werd ook niet gevonden (zat al in Chicago), maar Son House, en Willie Brown wel. De belangrijkste ontdekking van die expeditie was evenwel iemand anders: McKinley Morganfield alias Muddy Waters, een katoenplukker die op de Stovall plantage werkte en de bottleneck techniek van Son House had afgekeken. Er volgde een opnamesessie in de woning van Lomax, muziek die later versterkt werd door electriciteit en Chicago blues zou gaan heten. Andere vroege electrische blues werd ingeblikt door het Trumpet label in Mississippi (1950). Rice Miller alias Sonny Boy Williamson popularizeerde een meer stedelijke vorm van Delta blues via de live blues radioshow King Biscuit Time op het station KFFA in Helena- Arkansas, niet zover van de grens met Mississippi. Hij werkte in die dagen vaak samen met gitaristen Robert Lockwood en Elmore James. Sonny Boy nam zijn beste materiaal evenwel later op in Chicago. John Lee Hooker is een andere fameuze Mississippi Delta bluesman van origine, maar zijn loopbaan werd elders gelanceerd, meer bepaald in Detroit.


Van links naar rechts: Dr. Isaiah Ross, het "huisje" van Muddy op de Stovall plantage
en Sonny Boy Williamson tijdens een optreden van de King Biscuit Time show

Juke-Joint Blues

De term "Juke-Joint" zou je kunnen vertalen als "kroeg met een juke-box". Algemeen gezien zou je kunnen stellen dat de bluesliefhebber, waar dan ook ter wereld, vooral belangstelling had voor het soort bluesmannen zoals hierboven beschreven. Die her-ontdekte originators stierven stilaan uit, maar in Mississippi werd en wordt nog steeds blues geproduceerd. Sinds de jaren 70 deed het Malaco label wat inspanningen om blues op te nemen met o.m. Z.Z. Hill, Denise Lasalle en Bobby "Blue" Bland. Goed bedoeld maar meer soul dan blues eigenlijk. De echte Mississippi blues bleef verder gloeien en broeien in de lokale juke-joints, ver verwijderd van al die bluesliefhebbers. De blues werd er gewoon gebruikt voor feestjes en om op te dansen. De bands waren vaak samengesteld uit familieleden, vaders en zoons speelden naast elkaar en hierdoor kon het gebeuren dat bepaalde funk ritmes in die blues begon binnen te sluipen. In de vroege nineties kwamen er enkele labels tevoorschijn die besloten hadden om die lokale electrische blues op te nemen en aan een breder publiek voor te stellen. Rooster Blues (van Jim O'Neal, de oprichter van Living Blues) bracht platen uit van Roosevelt "Booba" Barnes en Lonnie Pitchford. Fat Possum gaf Juke-Joint veteranen R.L. Burnside en Junior Kimbrough een kans. Beide heren waren toen al op pensioengerechtigde leeftijd. Grote budgetten kwamen er niet aan te pas, de platen werden in enkele uren ingeblikt en klonken bepaald naakt en live. T-Model Ford was 75 toen hij zijn debuut uitbracht bij Fat Possum. Het (vaak verguisde en als "post-punk-blues" bestempelde) label werd mede opgericht door Matthew Johnson, een voormalige medewerker van Living Blues. Tot op vandaag trekt hij zich geen bal aan van al die kritiek en zegt: "We zijn zodanig gelimiteerd in onze mogelijkheden dat we gewoon alles live en razendsnel opnemen". De muziek van R.L. Burnside en Junior Kimbrough bestaat vaak uit simpele akkoorden ondersteund met rammende drumslagen die minuten lang worden uitgemolken. Live in een Juke-Joint heeft dat een hypnotisch effect, op plaat klinkt het af en toe wat monotoon. De muziek van R.L. Burnside en Junior Kimbrough klinkt evenwel nog verfijnd als je gaat luisteren naar T-Model Ford die bepaald grof tekeer gaat met enkel gitaar en drums. CeDell Davis (werkte veel met Robert Nighthawk) gaat nog meer naar de roots met zijn slide, bespeeld met een tafelmes. Over jongere blanke post-punk bandjes (als The Neckbones) die bij Fat Possum terechtkwamen zullen we eerbiedig zwijgen. Blues mag een beetje triestig zijn maar niet ZO triestig. Allesbehalve triestig zijn The Jelly Roll Kings (Frank Frost, Sam Carr and Big Jack Johnson!). Frank Frost en Sam Carr gingen niet naar Chicago zoals vele van hun tijdsgenoten wel deden. Zij bleven in Mississippi, tevreden met hun reputatie als de beste bluesmannen daar in het zuiden. Nadat ze een trio vormden met Jack Johnson werd er een plaat opgenomen voor Sun Records met Sam Phillips als producer. Het was een van de laatste bluesplaten die Sam Phillips opnam en het werd een bescheiden monument: Hey Boss Man!


Van links naar rechts: Junior Kimbrough, T-Model Ford, The Jelly Roll Kings en R. L. Burnside



Bluefun Inc. 2006 - Deze site bekijkt u best met IE 5 of hoger - Schermresolutie minstens 800 x 600