![]() |
Het
is me hier te koud, ik wil naar
Memphis - Mississippi
- Louisiana - Texas |
|
Bright Lights, Big City, Chicago! Chicago ligt in het noordoostelijke deel van Amerika, aan de oevers van het Michigan meer. Het is de derde grootste stad in het land van Uncle Sam met nu zowat 3 miljoen inwoners. Lekker warm in de zomer, en wreed koud in de winter. De wind heeft er vrij spel, vooral door de nabijheid van dat grote meer. Vandaar, windy city. Muzikaal werd Chicago vooral bekend omwille van de electrische blues. Sinds de jaren dertig werden er meer bluesgrootheden geproduceerd dan in eender welke andere stad in de USA. Grondleggers in de jaren dertig: Big Bill Broonzy, Memphis Minnie en Arthur Crudup (jawel, den dienen van Elvis). Na W.O.II kwamen er anderen: Muddy Waters, Little Walter, Howlin' Wolf. Het onafhankelijke platenlabel Chess was naast Sun Records in Memphis wellicht een van de invloedrijkst in de blues en rock 'n roll geschiedenis. Andere labels in Chicago werkten met Jimmy Reed, Elmore James en Otis Rush. Chuck Berry en Bo Diddley ontketenden de gekte die rock 'n roll heette, anderen als Buddy Guy, Junior Wells en Magic Sam deden het met hun zangerskwaliteiten of door hun instrumentenbeheersing. Alligator Records is tot op vandaag een trendsetter die de Chicago blues alive & kicking houdt.
Wat New York betekende voor de jazz was Chicago voor de blues. Chicago was zeker niet de enige plek waar country bluesmannen de stekker in het stopcontact staken, maar hier gebeurde het wel met wat meer animo. Tussen 1900 en 1950 trokken heelwat zwarten naar de grote stad Chicago. Ah ja, daar was werk he mannen! Om u een idee te geven, de bevolking ging van 30.000 naar meer dan 800.000 inwoners, geen kattepis. Nogal wat van die gelukzoekers kwamen uit Mississippi, de bakermat van de blues. Er waren genoeg opportuniteiten voor bluesmuzikanten, naast de vele clubs was er de open markt in Maxwell Street. De belangrijkste figuur in die dagen was evenwel geen muzikant maar wel de A&R man (artist & repertoire) van Columbia en Victor, meneer Lester Melrose. Dat was een slimme kerel met een fijne neus voor talent als Big Bill Broonzy, Memphis Minnie, Tampa Red, Washboard Sam, Big Joe Williams, Arthur Crudup, Sonny Boy Williamson I en Bukka White. Vaak ondersteunden die elkaar, aangemoedigd door Lester die een groepssound verkoos boven het typische beeld in de blues, de muzikant in zijn eentje tokkelend op een veranda ergens in de country. Electrische gitaren kwamen stilaan ter beschikking, maar er werd nog maar matig gebruik van gemaakt. Al die gasten kwamen uit verschillende delen van de USA: Tennessee, Mississippi... enz. enzoverder. De mix van al die klankkleuren zou Chicago blues worden. Als u nu luistert naar die Bluebird opnames van Lester Melrose (Bluebird was een sublabel van Victor) en vergelijkt met de latere Chess spullen, dan klinken de eersten wat tammetjes. Maar de weg was geplaveid!
|
|||||||||||||||||||
|
Na
WOII veranderde er nogal wat in Chicago. Onafhankelijke labels probeerden
het Victor/Columbia monopolie te doorbreken. Vooral het Chess label van
de broers Phil & Leonard Chess (Poolse inwijkelingen) werd de nieuwe
trendsetter. Hun prijsbeest: Muddy Waters! Willie Dixon was een steunpilaar voor de broertjes Chess. Zijn schrijverstalent was enorm, bovendien was hij de huisproducer, bandleader en bassist. Nummers als Little Red Rooster, Hoochie Coochie Man, Spoonful en Wang Dang Doodle werden door hem gepend. Howlin' Wolf was feitelijk een concurrent van Muddy maar verschilde genoeg zodat beiden populair werden. Rice Miller nam schaamteloos de naam Sonny Boy over van John Lee Williamson en het werd hem niet eens kwalijk genomen. Hij kopieerde niet alleen de truukjes van de eerste, maar deed het zo mogelijk nog beter. Vandaar wellicht. |
||||||||||||||||||
In de sixties zou het veranderen. Blues werd wat minder belangrijk en de soul maakte een opmars. Labels als Prestige, Arhoolie en Vanguard maakte de crossover van folk naar blues. Voorheen waren het singeltjes, nu werden het elpees. Het album Hoodoo Man Blues van Junior Wells (1965) was een van de eerste belangrijke bluesalbums uit Chicago, Buddy Guy speelde erop mee. James Cotton begon blues, soul en rock te mixen en de eerste white dudes maakten hun opwachting, de Paul Butterfield Blues Band. De glorie van Chess was voorbij maar het label bracht toch nog enkele mooie platen uit van Koko Taylor, Muddy Waters en Howlin' Wolf. Modern times Terwijl elders de glittermannekes hun opwachting maakten kwam er plots een baardige jonge man opduiken in Chicago, Bruce Iglauer, de oprichter van het fameuze Alligator label. Die haalde Hound Dog Taylor uit de kroeg en pootte hem in een studio neer waar hij hem een lekkere vettige bluesplaat liet opnemen. Dat was de start van een lange reeks releases die tot op vandaag blijven doorgaan: Son Seals, Fenton Robinson, Jimmy Johnson, Koko Taylor, Carey Bell, Eddy Clearwater e.v.a. werden ingeblikt. De sound van Chess werd nooit geëvenaard maar Alligator verkocht wel meer platen dan eender welk ander onafhankelijk label. Een schouderklopke gaat ook naar Bob Koester van Delmark Records, het was hij die Junior Wells' Hoodoo Man Blues uitbracht, en ook Magic Sam's West Side Soul. Leuk: Iglauer werkte bij Delmark vooraleer hij zijn eigen label begon.
Chicago is vandaag een van de weinige plaatsen waar je nog iedere avond minstens zes of zeven verschillende bluesbands kan gaan beluisteren en bekijken. Wat veranderde is niet alleen de blues uit de jaren dertig en veertig, maar ook en vooral het publiek dat nu meer blank dan zwart is. Het publiek van vroeger waren harde werkers die de blues als "A way of life" zagen. De performers hadden hetzelfde meegemaakt als al die werkers die een beter leven zochten in de grote stad. Die tijden zijn voorbij, maar de blues is er nog steeds, Chicago blues!
|
|||||||||||||||||||